Frederikspark

Ik had de vraag nooit eerder gehoord. “Heb jij even een poepzakje voor me?” Nee, ik was niet in een ziekenhuis en de vraag was niet afkomstig van een stomapatiënt. Althans niet dat ik wist. De poepzakjes zijn vijftien maanden geleden mijn leven binnengekomen samen met Moos, toen twee maanden oud. Moos is geboren in Friesland en opgegroeid in de Haarlemse Amsterdambuurt. Sinds april van dit jaar verblijft hij meestentijds in mijn nieuwe woning in Welgelegen. Van onze voordeur naar het Frederikspark is nog geen honderd meter. ’s Ochtends om acht uur doet Moos zijn eerste plasje tegen een forse boom aan de rand van dat park, de linker achterpoot fier omhoog. Moos is dus hond; een Australische Labradoodle. Hij luistert onderhand naar commando’s in drie talen en naar een breed scala aanspreekvormen: Moos, Mosjé, Mozes, Moisje, Mister M., Mannetje.

Moos2

Moos

De vaste routine, iedere ochtend kort voor acht: heb ik snoepjes bij me? M’n mobieltje? En tenminste twee poepzakjes? Op die poepzakjes kom ik terug, maar eerst wil ik de lofzang zingen over het Frederikspark. In de eerste wijkkrant die ik na verhuizing naar Haarlem onder ogen kreeg las ik een sikkeneurig verhaal van iemand die zich stoort aan de spelende kinderen van de Dreefschool. Bah, wonen er werkelijk zulke nare, zure mensen in mijn nieuwe wijk, dacht ik.  Ik frequenteer het Frederikspark nu bijna een half jaar dagelijks – en kan me geen betere plek voorstellen.

De symbiose van functies is verheffend en voorbeeldig. Hondenspeelplek in de vroege ochtend, spelende schoolkinderen rond het middaguur, zonnende jongedames en picknickende stelletjes in de middag, hangjongeren van divers pluimage in de avond… het gaat allemaal bijna probleemloos samen. Waar kom je dat nog tegen? Oké, de hangjongeren zouden hun rotzooi op moeten ruimen – maar ’s ochtends rond achten komt Spaarnelanden het zwerfvuil netjes weghalen.

Die poepzakjes dus. Ik hanteer ze nog maar ruim een jaar. Opmerkelijk is hoe plichtsgetrouw bijna alle baasjes de drolletjes van hun hond opruimen. En ik kan u verzekeren dat dat geen sinecure is wanneer het gras lang is en/of de hond iets verkeerds heeft gegeten. Nog nooit sinds ik hier woon ben ik met een drol aan mijn schoen thuisgekomen. Het zou te ver voeren te beweren dat er sprake is van een levendige ruilhandel in poepzakjes – maar ze worden wel ruimhartig gedeeld.

En Moos? Die heeft de tijd van zijn leven. Hij speelt uitgelaten met zijn vriendjes en vriendinnetjes en vergeet nooit hun bazinnen een vrolijke ochtendgroet te brengen. Moos & ik zijn domweg gelukkig in het Frederikspark.

 

John Löwenhardt
september 2014